Stapel onderzoeksaanvragen (en afwijzingen) blijft groeien

Universiteiten doen nog weinig om het aantal onderzoeksvoorstellen bij NWO te verminderen.

Universiteiten doen nog weinig tot niets om het aantal onderzoeksvoorstellen bij NWO te verminderen en de kleine kans op onderzoeksgeld te verhogen.

Al jaren klagen Nederlandse onderzoekers dat ze aan de lopende band onderzoeksvoorstellen moeten indienen bij financiers, zonder veel succes. Zo krijgt bij de Talentprogramma’s en Nationale Wetenschapsagenda van NWO maar 15 tot 20 procent van de aanvragers geld, de rest heeft zijn of haar onderzoeksvoorstel voor niets geschreven.

De WUR-cursus voor aanvragers van een veni- of vidi-beurzen betaalt zich uit

Aan dat lage honoreringspercentage moet wat worden gedaan, vinden NWO en de universiteiten al jaren. In 2017 spraken ze af dat de universiteiten een voorselectie van onderzoeksvoorstellen zouden maken, zodat er minder voorstellen naar NWO gaan en de slaagkans groter wordt.

Vier jaar later blijkt dat er niets van deze afspraak is terechtgekomen. In 2017 dienden de gezamenlijke universiteiten 5.730 onderzoeksvoorstellen in, blijkt uit cijfers van NWO. In 2020 was dat gestegen naar maar liefst 6.803 aanvragen. Wageningen University diende in 2017 299 onderzoekaanvragen in bij NWO. Vier jaar later waren dat er 273. WUR droeg dus niet bij aan de stijging, maar ook in Wageningen is van zelfselectie nauwelijks sprake.

Wat houdt de universiteiten tegen? Ze hebben geen zin om NWO-tje te gaan spelen, want dit kost geld en levert niet meer onderzoeksinkomsten op. Bovendien zitten ze in een catch22-situatie: als jij gaat voorselecteren en de anderen niet, haal je waarschijnlijk minder onderzoeksprojecten binnen bij NWO.

Quotum

Toch is er de afgelopen vier jaar wel meer sturing ontstaan bij de universiteiten, zegt Henrieke de Ruiter, die bij de Grant Office van WUR de aanvragen voor NWO-fondsen coördineert. Bij enkele grote onderzoekprogramma’s, zoals het Zwaartekrachtprogramma en het Langetermijnprogramma (LTP), heeft NWO een quotum ingesteld. Dat zorgt ervoor dat universiteiten bij veel belangstelling hun eigen aanvragen moeten beoordelen en selecteren.

Voorts heeft WUR een interne procedure ingesteld voor onderzoekers die een Veni- of Vidi-beurs aanvragen bij NWO. De Veni-beurs is een persoonsgebonden beurs voor pas gepromoveerde onderzoekers, de Vidi voor ervaren onderzoekers. Aanvragers kunnen een cursus volgen waar ze op moeten letten bij de aanvraag en een panel van ervaringsdeskundigen beoordeelt de voorstellen voordat die naar NWO gaan.

Deze aanpak betaalt zich uit, zegt De Ruiter. De slaagkans onder WUR-onderzoekers die de afgelopen drie jaar een Veni-beurs aanvroegen, is veel hoger dan het landelijk gemiddelde: 31 om 14 procent. De slaagkans bij de Vidi’s bedroeg 29 procent bij WUR, tegen 18 procent landelijk. De interne WUR-procedure is er vooral op gericht om tot betere onderzoeksvoorstellen te komen en niet om voorstellen te selecteren.

Voor de meeste NWO-programma’s gelden echter geen quota en zijn er geen procedures bij de universiteiten, zodat de onderzoekers nog steeds naar hartenlust met hagel schieten, er nog steeds te veel voorstellen binnenkomen en universiteiten nog steeds met de onderzoekfinancier praten over hoe de stroom aanvragen in te dammen. De grote vraag is: hoe kunnen de universiteiten aanvragen coördineren en selecteren, zonder dat ze taken van NWO overnemen?

Getrapt

De meest gebruikte aanpak om de grote stroom voorstellen te kanaliseren is op dit moment de getrapte procedure: onderzoekers of onderzoeksgroepen schrijven een beknopt voorstel dat in de eerste ronde wordt beoordeeld.

Veel onderzoekers nemen niet de tijd om de richtlijnen van de onderzoekfinanciers goed door te lezen

Een klein deel gaat door naar de tweede ronde, waarin een uitgewerkt voorstel wordt vereist. Dit is een handige aanpak voor grote programma’s met veel partners die veel tijd nodig hebben om hun onderzoek af te stemmen, maar ook bij deze methode krijgt NWO nog steeds veel aanvragen binnen, terwijl het er weinig honoreert.

Wat kan er nog meer? De onderzoekers van de universiteiten kunnen meer doen om minder – en betere – voorstellen te schrijven, denkt De Ruiter. Veel onderzoekers nemen niet de tijd om de richtlijnen van de onderzoekfinanciers goed door te lezen. Ze dienen een voorstel in, zonder goed te weten wat de financier wil weten, welk onderzoekskader en jargon worden gevraagd en welke voorwaarden er gelden voor financiering. Advies vragen aan kenners van het Wageningen Grant Office kan dan helpen. Minder met hagel en meer gericht schieten, leidt niet alleen tot betere, maar vaak ook minder voorstellen.

Lees ook de reactie van NWO. ‘Het grote probleem is dat er structureel te weinig geld gaat naar onderzoek.’

Lees ook:

Leave a Reply


Je moet inloggen om een comment te plaatsen.