Van twee kanten: Een ministerie van Ruimtelijke Ordening

Een gesprek over de schaarse ruimte in Nederland.
Arjan Koomen en Martha Bakker. Foto: Guy Ackermas

Moet het nieuwe kabinet het ministerie van Ruimtelijke Ordening in ere herstellen om Nederland opnieuw in te richten? Ja, zegt Martha Bakker, hoogleraar Landgebruiksplanning bij WUR. Nee, zegt Arjan Koomen, programmaleider Duurzaam Landgebruik bij Wageningen Environmental Research. Een twistgesprek over de schaarse ruimte in Nederland.

Bakker: ‘Er liggen momenteel veel ruimteclaims op tafel. We willen duurzame energie produceren, we willen meer water bergen, we willen bos aanplanten én we willen duurzame landbouw. Dat heeft allemaal invloed op het landschap. Op dit moment organiseren we dat sectoraal, maar al die sectorale ontwikkelingen hebben neveneffecten en die werken elkaar nog wel eens tegen. Dat moet je afstemmen op rijksniveau.’

Koomen: ‘Ik zie ook allerlei ruimteclaims. De toename van distributie- en datacentra en parken voor duurzame energie, terwijl we ook veel meer woningen willen bouwen en meer natuur willen aanleggen. Maar ik denk niet dat je top-down moet zeggen: dit komt hier, dat komt daar. Belanghebbenden in de regio – natuurorganisaties, boeren, waterschappen en provincies – moeten om tafel om te komen tot maatwerk en innovatieve oplossingen. Het Rijk moet geen blauwdruk maken, maar werken vanuit een visie die de regio’s ondersteunt bij het maken van plannen.’

Bakker: ‘Ruimte is een schaars goed. We hebben het ministerie van Financiën die het schaarse geld verdeelt over de verschillende sectoren. In die lijn moet er ook een ministerie van Ruimte komen dat de schaarse ruimte verdeelt.’

Koomen: ‘Dat doet me denken aan de reconstructie van de varkenshouderij, toen het Rijk het landelijk gebied in zones indeelde. Dat nationale plan is destijds vastgelopen omdat het top-down was, niet concreet genoeg en weerstand opriep. Wel is toen duidelijk geworden dat je belanghebbenden moet betrekken bij de plannen en lokaal inzichtelijk moet maken wat het plan oplevert.’

Bakker: ‘Door op gemeenteniveau plannen te maken en inspraak te regelen, krijg je voortdurend lokale lobby’s van projectontwikkelaars en omwonenden met hun nimbygedrag.

Martha Bakker: ‘Maak een kaart met alle ruimteclaims erop, dan zie je dat het er te veel zijn

Er moet ruimte zijn voor lokale inspraak, maar daarbij moet het Rijk de rol hebben als ijsbreker, om impopulaire beslissingen te nemen. Vervolgens kun je dan de regio uitnodigen om met een beter plan te komen. Provincies ‘de ruimte geven’ klinkt aardig, maar het is niet prettig als je moet balanceren tussen tientallen ruimteclaims waarvan je minstens de helft niet kan honoreren.’

Koomen: ‘Als je vanuit Den Haag kaarten gaat tekenen met ‘hier komt landbouw en daar komen zonneparken, hier huizen en daar nieuwe natuur’, dan mis je de synergie en veel blijft onduidelijk. Ik heb graag een ruimtelijke visie van de regering, maar wie combineert bijvoorbeeld extensieve landbouw met waterberging en natuurbeheer? Dat moet je in de regio doen, want daar zit de gebiedskennis.’

Arjan Boomen. Foto: Guy Ackermans

Bakker: ‘Dat is waar, maar maak om te beginnen eens een kaart met alle ruimteclaims erop. Dan zie je dat het er te veel zijn en dat je functies moet combineren. En combineren vraagt deels inschikken. Het Rijk kan die pijnlijke keuzes maken, dat maakt de uitvoering op provinciaal niveau makkelijker.’

Koomen: ‘Zodra je een kaart tekent, met scherpe grenzen, gaat het gesprek over de kaart en over de grenzen. En niet meer over de opgaven, mogelijke kansen en de visie.’

Bakker: ‘De kaart maakt problemen duidelijk. Op de kaart staan grenzen. Bespreek die, vecht er om. Maar als je de kaart niet tekent, sluit je je ogen voor de keuzes die gemaakt moeten worden. Alle gemeenten kiezen voor de economisch sterke sectoren. De zwakke functies – denk aan natuur en landbouw – moeten de anderen maar doen. Het Rijk moet die zwakke functies op de kaart zetten, anders doet niemand het.’

Koomen: ‘We hadden altijd de Wet Inrichting Landelijk Gebied, die kaders stelde aan de ruimtelijke inrichting in Nederland en ook doorzettingsmacht had, dus maatregelen kon afdwingen. Maar deze wet is in onbruik geraakt. Je zou er weer naar kunnen kijken, het lijkt me een geschikt instrument.’

Martha Bakker. Foto: Guy Ackermans

Bakker: ‘Landelijke wetgeving werkt alleen als er politieke wil is. En zo’n inrichtingskaart moet voor 20 jaar gelden en niet elke kabinetsperiode ter discussie staan. Dat is niet makkelijk, dan moet je als bestuur je nek uitsteken.

Arjan Koomen: ‘Zodra je een kaart tekent, gaat het gesprek over de kaart en niet over de visie

De huidige cultuur is dat bestuurders dat niet doen, ze moeten alle besluiten en stappen verantwoorden, ze zijn voorzichtig. Dan krijg je een landschap van de minste weerstand waarin lobbyisten hun zin krijgen. Het Rijk moet geen verstoppertje meer spelen, maar met gewaagde oplossingen komen.’

Koomen: ‘Prima, maar benut dan ook de gebiedskennis bij de uitvoering. Werk een plan uit voor bijvoorbeeld de Achterhoek samen met de bewoners. Daar kunnen de inwoners zich er namelijk iets bij voorstellen.’

Conclusie: De nieuwe regering moet een ruimtelijke visie ontwikkelen en een kaart tekenen waar in Nederland bossen, boeren, energieparken en huizen komen. De regio’s gaan de plannen uitwerken en finetunen.

Lees ook:

Je moet inloggen om een comment te plaatsen.